          |
Nog
voordat de kerkklokken met hun gebeier de stilte van de kerstavond
doorbreken en een uitnodiging de donkere straten insturen, zijn de
banken in de H.H.Ewaldenkerk al redelijk bezet. Overal zijn
vrijwilligers bezig met de voorbereiding op de viering, die om 19.00 uur
een aanvang zal nemen. Ook in de sacristie gonst het van de
bedrijvigheid; Al dan niet met hulp hijsen kinderen van basisschool “De
Kubus” zich onder het nodige gekreun en gesteun in gewaden, waarvan de
meeste de tand des tijds letterlijk niet zonder kleerscheuren hebben
doorstaan. Dat het ook geen maatkleding betreft, blijkt uit de
herhaaldelijke vraag om veiligheidsspelden of iets dat op een koord
lijkt. De spelers van het kerstspel proberen met spelden de kleding
bijeen te houden of knopen een touw op zo’n manier om hun middel, dat ze
niet langer op de zoom van hun robe trappen.
Maria zit wat onderuitgezakt op een leunstoel en bestudeert haar voor de
gelegenheid gelakte nagels. Haar gezichtje is vakkundig opgemaakt en ook
de snoetjes van de twee zusjes vertonen sporen van make-up. Deze laatste
zijn als engelen gekleed en in hun opgestoken haren glanzen goudkleurige
guirlandes.
De blos op hun konen wordt ook versterkt door de oplopende spanning om
het naderende optreden. Jozef en de herbergier ruziën wat over een
hoofddeksel, dat ze beiden willen dragen, en Gabriël toont op verzoek
haar engelenjurk met de bijpassende schoentjes.
Ook kleine engel, de hoofdrolspeelster, heeft nieuwe vleugels en de
grote zilveren strik om haar leest beweegt driftig mee, wanneer ze van
haar ene been op het andere hupt. De plankenkoorts neemt toe, ook in de
prachtig versierde kerk. Dankzij de poetsgroep glimt het zilver en koper
ons tegemoet. De hele kerk is brandschoon na een grote schoonmaakbeurt.
De kinderen van het kinderenkoor zitten grotendeels achterstevoren op
hun stoelen of wiebelen met hun ledematen, terwijl de dirigent nerveus
heen en weer loopt. De organist is nog niet opgedoken. In de sacristie
tikt de koster met zijn wijsvinger op zijn horloge en beweegt zijn hoofd
richting de aan de muur hangende klok: de grote wijzer glijdt traag van
de twaalf omlaag. De dirigent zoekt ondertussen naarstig tussen zijn
paperassen naar zijn blokfluit met de bedoeling deze te gebruiken als
muzikale ondersteuning van zijn koortje. Juist wanneer hij het
instrument aan zijn lippen zet verschijnt een verhitte organist ten
tonele. Enigszins verlaat betreedt dan ook de voorganger - vooraf gegaan
door een plotseling timide ogende cast van het toneelstuk - de ruimte
van de kerk, waarin de kerststal niet alleen domineert door zijn
grootte; het bouwwerk straalt professionaliteit en authenticiteit uit.
“Het is weer advent”, zingt het kinderkoor en na een verwelkoming kan de
dienst van woord en gebed beginnen. Noortje, Sophie, Hanne, Mette, Pleun
en Rowan, op hun beurt, begroeten de massaal toegestroomde mensen en
samen wordt er gebeden, gezongen en geluisterd.
Op deze avond voor Kerstmis lezen de kinderen een gedicht voor en steken
na iedere strofe een kaars aan, terwijl de aanvankelijk wat ijle
stemmetjes van het koor een couplet en het refrein van het “Lied van het
licht” zingen.
Na het gebed om vergeving en het lied “Jesaja had een droom”, is het
tijd voor datgene waarvoor waarschijnlijk de meeste kinderen zijn
gekomen: het Kerstspel.
Het verhaal van de vergeetachtige engel wordt voorgelezen door
Jan-Willem en (bijna) gelijktijdig uitgebeeld door de spelers. Kleine
engel, zo gaat het verhaal, woont in de hemel en heeft nog nooit
armoede, angst of verdriet meegemaakt. Dan krijgt ze van Gabriël een
belangrijke opdracht. Ze mag Jozef gaan vertellen dat hij Maria mee moet
nemen op zijn reis naar Betlehem en de ezel vol spullen moet laden.
Engel brengt de boodschap niet helemaal goed over. En ook aan de
herbergier geeft ze een verkeerde boodschap. Zo gaat het een na het
ander helemaal mis…
Het toneelstuk bestaat uit zeven stukken en tussendoor worden
toepasselijke (kerst)liedjes ten gehore gebracht. Het geheel speelt zich
af op drie locaties verdeeld over het priesterkoor.
De denkbeeldige hemel waar vanuit de engelen operen is zodanig hoog
gesitueerd dat men vanuit de kerk een goed zicht heeft op de
playbackende meiden. Anders is het voor Jozef, die op zijn binnenplaats
de laatste plank schaaft voor de wieg, die hij maakt voor het kindje van
zijn vrouw Maria. Praktisch niemand ziet hem als hij op de knieën zijn
gereedschappenkoffer opent en het timmermansgerei te voorschijn haalt.
De botte, oude schaaf weigert dienst en daarom slaat Jozef ter
compensatie met een nieuwerwetse hamer op een paar meegebrachte stukken
hout op het tijdstip dat hij volgens het verhaal de plank moet schaven…
Ook de gebeurtenissen rondom de herberg met een bezemende herbergier en
zijn op geld beluste vrouw zijn niet voor iedereen te volgen. Evenals de
scène van de herders en kleine engel op de velden. De herbergier is van
rol gewisseld en speelt Bobbo, de hond, maar omdat hij in die rol laag
bij de grond moet blijven, blijft zijn zwart geschminkte neus meest
onopgemerkt. Ook de rijke reiziger verkleedt zich razend snel om in de
rol van herder te glippen.
De door de siergroep liefdevol vervaardigde bloemstukken en groen -
arrangementen zijn een lust voor het oog en vormen een prachtig decor op
de voorgrond van het spel, maar onttrekken wel grotendeels het zicht op
het tafereel. Een groepje drieste, kleine kerkgangers is uit de
kerkbanken gekomen om e.e.a. van dichterbij te aanschouwen, maar raakt
verveeld wanneer ze te klein blijken om over de versieringen heen het
gebeuren te registreren.
Jassen worden achtergelaten in de banken en kerstmutsen mee naar voren
genomen om vervolgens over en weer gegooid en geschopt te worden. Hun
stemmetjes overstemmen geleidelijk meer en meer die van de verteller…
Het wordt rumoeriger, voetenbanken vallen om bij pogingen op de tenen
staand nog iets te ontwaren. De geboorte van het kindje Jezus krijgt
lang niet iedereen mee: Gelukkig kent men het aloude verhaal van een
stal en een kribbe met daarin het in doeken gewikkelde kind, warm
gehouden door een os en een ezel.
Het kerstevangelie van Lucas wordt gevolgd door het lied “Er is een
kindeke”….Hoge, zuivere stemmen zingen voor… Na de geloofsbelijdenis
wordt er gecollecteerd en komen er twee mandjes langs. Ondertussen
worden er vier kerstliedjes gezongen; Wie kan zingt uit volle borst
mee.De klanken resoneren onder de gewelven en tussen de pilaren. De
voorbede, het Onze Vader en dan de vredeswens uitgesproken door Mette en
Pleun. Er worden handen geschud als teken van vrede en men wenst elkaar
een Zalig Kerstfeest.
Het wordt later. De kleinste kinderen van het koor zijn dit tijdstip van
vieren nog niet gewend en moeheid eist zijn tol. Er wordt met knuistjes
driftig in ogen gewreven en een enkeling gaapt ongegeneerd, luidkeels.
Het slotgebed wordt samen gebeden en tenslotte lezen Rowan en Wout het
gedicht van de zeven kaarsjes. Diezelfde Wout verdwijnt daarna met Ernst
naar achteren om daar bij het verlaten van de kerk knutselvellen uit te
delen aan kinderen. Na het kruisteken -nog voor het slotlied- krijgt het
kinderkoor een daverend applaus van alle kerkgangers.
Iedereen keert huiswaarts met de opdracht te proberen in de voetsporen
van Jezus een licht voor een ander te zijn…
Gerda van Wegen-Driessen
|